Een kerk vol. Zoveel handen heb ik geschud op de begrafenis van mijn grootvader. Met emotioneel geladen momenten als deze kan ik moeilijk om. Ik focus me bijgevolg op rationeel te vatten, irrelevante details: de manier waarop mensen een hand geven: strak, kordaat, in de ogen kijkend, of slap, bijna verontschuldigend en ontwijkend; of een raming maken van het aantal bacteriën aanwezig op mijn rechterhand na afloop van al dat handschudden.
Alles wat erop gericht is emotie los te weken tijdens zo’n begrafenisdienst, compenseer ik steevast door een rationele analyse van de situatie: de ‘pakkende muziek gespeeld door het orkest waar mijn grootvader bij was’, wordt niks meer dan een ‘technisch sterk gespeelde compositie’; de ‘gevoelige tekst van mijn vader over zijn vader’, wordt een ‘te strak voorgelezen speech’. Daar schuilt enige ironie in: ik ben een schoolvoorbeeld van de krampachtigheid waarmee onze westerse cultuur met de dood (en emoties) omgaat, en laat het nu net dié cultuur zijn waar ik niet hoog mee op loop.
De kerkdienst, de koffietafel, de ‘apotheose’ op het kerkhof… één grote, zes uur durende evenwichtsoefening tussen ratio en emo. Dat lukt. Ik verpink geen traan, ik geef geen krimp, en beperk mijn woorden tot droge lichtcynische uitspraken. Ik denk dat mensen dat wel eens verkeerd opvatten, maar dit is nu eenmaal mijn manier.
Mijn grootmoeder kreeg vorig jaar in juli, als eerste haar plaats op het kerkhof. Mijn grootvader prevelde toen, dat hij er ‘met tijd’ zou komen naast liggen. Vandaag, iets meer dan een jaar later al, kreeg hij zijn symbolische plek. Surreëel.
Na afloop gingen we met enkele familieleden nog even naar het huis waar mijn grootouders heel hun leven gewoond hebben. Datzelfde huis waar ik een deel van mijn jeugd en jongvolwassen leven heb doorgebracht. Ik besef dat dat het lot tarten is, maar enig masochisme is me blijkbaar niet vreemd.
Het tikken van de klok, het mazoutvuur, het tapijt, de tafel, de kasten, het schilderij … Het zijn slechts materiële objecten, maar op zo’n moment zijn het verhalen. Verhalen die vertellen over de talloze kerstavonden met de gezellige warme sfeer, over mijn grootvader die zijn middagdutje deed in zijn oude houten zetel, over mijn grootmoeder die op woensdagnamiddag kleren naaide, over Pasen en de verstopte eieren in de moestuin,… Als een donderslag bij heldere hemel drong het toen pas tot me door, dat mijn grootouders en die honderden gelinkte verhalen, voorgoed verdwenen zijn.
Ik ging naar boven, de kamer in waar ik als kind mijn logeerbed had. De tijd was er blijven stilstaan: de gordijnen, het behangpapier, het raamwerk: niks veranderd. Mijn blik viel op het nachtlampje dat me jarenlang doorheen donkere logeernachten had geloodst…
Even voelde ik me weer dat kind van weleer, en een traan rolde over mijn wang.

Grootouders kerstavond 2006