Sinds de start van het nieuwe schooljaar is er al heel wat te doen geweest omtrent het verbod op het dragen van een hoofddoek in een aantal scholen. Voorstanders van het verbod hebben het over de emancipatie van de moslimvrouw, tegenstanders spreken van discriminatie. Stof voor een nieuwe polemiek rond de hoofddoek in het bijzonder en de islam in het algemeen.
In verhitte discussies als deze is het een goed idee om af te lijnen wat nu precies het beoogde doel is, en het middel om dat doel te bereiken. Een betere positie van de moslimvrouw ten opzichte van moslimmannen is het doel, een hoofddoekenverbod het middel. Hierbij stel ik me meteen enkele vragen. Is er sprake van systematische onderdrukking, of zijn het slechts enkele gevallen? En áls er een reëel probleem is, in welke mate is een verbod op het dragen van zo’n hoofddoek dan een oplossing? Zijn er andere, meer efficiënte oplossingen?
Het lijkt me naïef te opperen dat een verbod de gelijkheid tussen man en vrouw zou bevorderen. Dat is hetzelfde als beweren dat een verbod op het dragen van een schort de ondergeschikte positie van onze vrouw in de jaren ‘50 zou verbeterd hebben. Niet dus. Dan deed de vrouw gewoon verder het huishouden, zónder schort. Als er al sprake is van onderdrukking, is de hoofddoek slechts een marginaal symbool en geen oorzaak. De oorzaak is meervoudig, structureel en dus ingebakken in alle lagen van een maatschappij. Dat los je niet op met het verwijderen van een doekje.
Mooi voorbeeld is Afghanistan. Sinds de Amerikanen de fundamentalistische Taliban verdreven en er een menswaardige democratie probeerden opzetten, zou je denken dat daarmee de positie van de vrouw verbeterd is. Niks is minder waar, zo bleek uit een recente reportage in Ter Zake. Vrouwen die er onderwijs (proberen) volgen, of een leidinggevende functie uitoefenen worden met de regelmaat van de klok bedreigd met de dood, en niet zelden ook vermoord. Moraal van het verhaal is ook hier: structurele onderdrukking valt niet zomaar op te lossen.
Het is tevens wat schijnheilig om te wijzen naar de minderwaardige positie van de moslimvrouw, en luidkeels ‘foei’ te roepen, als we onze eigenste vrouwen ook onderdrukken. Een vrouw moet slank zijn, met lange benen, voorzien van een stevig balkon, golvend haar en een geometrisch perfect gezicht. En dat beeld projecteren we dag in dag uit op tv, radio, kranten, affiches, weekbladen, etc… zodat elke vrouw in onze maatschappij gebukt gaat onder het juk van een onhaalbaar schoonheidsideaal. We laten onze vrouwen dan wel geen hoofddoek dragen, er zweeft boven elk vrouwenhoofd een imaginaire afbeelding van een Cosmopolitan-model. En dan heb ik het nog niet gehad over het glazen plafond, ongelijk loon, discriminatie door zwangerschap, stereotype rolverdeling in het huishouden en dergelijke meer.
Laten we nu nog aannemen dat een hoofddoekenverbod een positief effect heeft op de positie van de moslimvrouw… wat is hiervoor de prijs? Een grotere polarisatie tussen ‘wij’ en ‘zij’, die sinds 9/11 sowieso al ontzettend groot is. Als er al sprake was van enig wederzijds begrip, is dat nu wel volledig weg. We raken hier immers aan een van de fundamentele symbolen van hun cultuur, een deel van hun identiteit. Dat kan niet anders dan kwaad bloed zetten.
De realiteit is dat we eigenlijk niet van andere culturen houden. Buitenlanders zijn ok, zolang ze zich maar aanpassen, lees: hun identiteit verwerpen en de onze aannemen zodat we niet meer kunnen zien dat het buitenlanders zijn. In het diepste van onszelf zijn we allen xenofoob, maar we kunnen dat zo niet gezegd hebben, en vermommen het met het woord ‘integratie’. Integratie is in onze ogen een fabriek waar je een negertje instopt die rond een kampvuur danst, en eruit komt als blanke met een iPod in de hand. Maar zo werkt het niet.
Om te functioneren in onze maatschappij zijn er zeker een aantal vereisten. Het beheersen van het Nederlands is er ongetwijfeld één van. Het respecteren van de wet ook, al is daar wat gezond verstand bij nodig: toen een rechter onlangs een aantal moslimvrouwen met hoofddoek uit zijn rechtszaal zette, deed hij dat op basis van een wet die verbood een hoofddeksel te dragen. Die wet dateerde wel uit de jaren stillekes toen Jan-met-de-pet … een pet droeg, en het afnemen ervan gangbaar was volgens de toenmalige etiquette. Bestaande wetten kunnen misbruikt worden, en nieuwe kunnen uit discriminerende motieven gemaakt worden. ‘De wet’ als dusdanig is niet zaligmakend.
Vind ik vrouwen met een hoofddoek aantrekkelijk? Neen. Hou ik van de islam? God neen! Maar ik ben ik, en een ander is een ander, en daar heb ik respect voor. Niet iedereen kan de wereld immers zien en ervaren zoals mij. Dat er grenzen zijn, gevormd door een aantal algemeen aanvaarde waarden en normen zal ik nooit betwisten, maar van de hoofddoek de hoofdvloek maken is simplistisch, discriminerend, polariserend en eenvoudigweg een brug te ver.
